Home

22 januari  De macht van de gewoonte




Met verbazing bemerkte ik dat ik U, God, reeds beminde en niet meer in plaats van U een fantasiebeeld. Toch volhardde ik niet in het genieten van mijn God, omdat ik tot U werd getrokken door uw schoonheid en weldra weer van U weggetrokken door mijn eigen gewicht. Zuchtend stortte ik dan neer in het aardse. Dat gewicht nu was mijn zinnelijke gewoonte, maar de herinnering aan U bleef mij bij, en ik twijfelde volstrekt niet meer, dat er iemand bestond aan wie ik mij moest hechten, maar ik zag dat ik nog niet degene was die zich aan U kon hechten. "Het vergankelijke lichaam" immers, "bezwaart de ziel en de aardse tent is een last voor de veel denkende geest". Ik was er ook volkomen zeker van dat uw onzichtbaar wezen van de schepping der wereld af, bij enig nadenken uit het geschapene duidelijk te kennen is, ook uw eeuwige macht en godheid. Toen ik namelijk zocht waarom ik de schoonheid van lichamen, hetzij in de hemel, hetzij op de aarde, waardeerde, had ik boven mijn geest, die veranderlijk is, de onveranderlijke, waarachtige, eeuwige waarheid gevonden. Zo klom ik dan trapsgewijs omhoog: van de lichamen naar de ziel, die door middel van het lichaam waarneemt, en vandaar naar het innerlijk vermogen van de ziel, waaraan de zintuigelijke waarneming van het lichaam de dingen van buiten meldt. Ook dit vermogen kwam in mij tot de bevinding van zijn veranderlijkheid en richtte zich op om zichzelf te begrijpen; het trachtte te ontdekken hoe het dat veranderlijke zelf kende. Zo kwam mijn denkvermogen tot datgene wat is, op een ogenblik van sidderend aanschouwen. Toen heb ik dan "uw onzichtbaar wezen uit het geschapene duidelijk gezien". Ik was echter niet bij machte mijn blik erop gevestigd te houden; in mijn zwakheid werd ik teruggestoten en ik kwam weer in mijn gewone doen terug. Ik droeg alleen met mij mee een herinnering vol liefde, die als het ware terug verlangde naar de geurige spijzen, die ik niet vermocht te eten.