Home

25 mei  Geest en Leven

De Geest getuigt en maakt getuigen




10 Augustus 413

"De woorden die Ik tot u gesproken heb, zijn geest en leven", zegt de Heer. Wij hebben immers vastgesteld, dat de Heer met het eten van zijn lichaam en het drinken van zijn bloed heeft beoogd, dat wij in Hem zouden blijven en Hij in ons. Nu blijven wij in Hem wanneer wij zijn ledematen zijn: Hij echter blijft in ons wanneer wij zijn tempel zijn. Om nu zijn ledematen te zijn, smeedt ons de eenheid samen. En is het niet de liefde die bewerkt dat de eenheid ons samensmeedt? En vanwaar komt de liefde Gods? Vraag het aan de apostel! "Gods liefde", zegt hij, "is in ons hart uitgestort, door de heilige Geest die ons werd geschonken". "Het is" dus "de geest die levend maakt"; de geest toch maakt die ledematen levend, die hij aantreft in het lichaam dat hijzelf groeikracht geeft. Brengt soms de geest die in u is, o mens, en waardoor gij mens zijt, een lidmaat tot leven dat hij buiten uw lichaam aantreft? Met uw "geest" bedoel ik uw "ziel": uw ziel brengt alleen de ledematen tot leven die in uw lichaam zijn, verwijder er een en het wordt door uw ziel niet meer in leven gehouden, omdat het niet meer verbonden is met de eenheid van uw lichaam. Ik spreek hierover, opdat wij de eenheid liefhebben en de scheiding vrezen. Niets toch moet een christen zozeer vrezen als afgescheiden te worden van Christus' lichaam. Wordt hij immers gescheiden van Christus' lichaam, dan is hij geen lidmaat meer van Hem; is hij zijn lidmaat niet, dan leeft hij niet meer van zijn Geest: "Zou iemand de Geest van Christus niet hebben", zegt Paulus, "dan behoort hij Hem niet toe". "Het is de geest die levend maakt, het vlees is van geen nut. De woorden die Ik tot u gesproken heb, zijn geest en leven". "Maar er zijn er onder u", vervolgt Jezus, "die geen geloof hebben". Hij zegt niet: er zijn er onder u die het niet begrijpen, maar Hij noemt de reden waarom zij niet begrijpen. "Er zijn er onder u die geen geloof hebben"; en daarom begrijpen zij niet, omdat zij niet geloven. Door het geloof worden wij ingeschakeld, door het begrip worden wij tot leven gebracht. Eerst moeten wij ons aan Christus hechten door het geloof; dan pas is er iets dat tot leven gebracht kan worden door het begrip. Wie zich niet aan Hem hecht, biedt weerstand; wie weerstand biedt, gelooft niet. Hoe kan nu zo iemand die weerstand biedt, tot leven worden gebracht? Hij staat afkerig tegenover de lichtstraal die hem moest doordringen; niet zijn ogen keert hij af, maar hij sluit zijn ziel. "Er zijn er" dus "onder u, die geen geloof hebben". Laten zij geloven en zich openstellen, zich openstellen en verlicht worden!