Home

18 september  Ik ben de goede herder




Carthago, het jaar 411-412

Wij hebben gehoord hoe onze Heer Jezus Christus in het evangelie een beschrijving geeft van de plichten van de goede herder. Door deze beschrijving heeft Hij - als ik het goed begrijp - ons er aan willen herinneren dat er goede herders zijn. Om echter te voorkomen dat wij ons een valse voorstelling zouden maken van het aantal van die herders, zegt Hij: "Ik ben de goede herder". Vervolgens geeft Hij aan, waaraan men de goede herder kan kennen: "De goede herder geeft zijn leven voor zijn schapen. Maar de huurling die geen herder is, ziet de wolf aankomen en vlucht weg; want hij is dan ook maar een huurling en heeft geen hart voor de schapen". Christus is dus de goede herder. Wat is Petrus dan? Is hij niet een goede herder geweest? Heeft ook hij niet zijn leven gegeven voor zijn schapen? Wat is Paulus dan? Wat de overige apostelen? Wat de heilige bisschoppen, die martelaren zijn geweest in de tijd, die op het apostolisch tijdvak volgde? Wat is ook de heilige Cyprianus geweest? Zijn zij allen geen goede herders geweest? Zij waren toch geen huurlingen van wie wordt gezegd: "Voorwaar, Ik zeg u: zij hebben hun loon al ontvangen". Allen zijn ze dus goede herders geweest, niet enkel omdat zij hun bloed hebben vergoten, maar omdat zij het voor hun schapen hebben vergoten. Zij hebben het immers vergoten niet uit trots, maar uit liefde. Laten wij de Heer als het ware ondervragen en in alle nederigheid een gesprek aangaan met onze goddelijke huisvader. Wat bedoelt Gij, Heer, die de goede herder zijt? Want Gij zijt de goede herder en tevens het goede lam; Gij zijt zowel herder als weide, zowel lam als leeuw. Wat bedoelt Gij? Wij willen luisteren, help Gij ons dan, opdat wij begrijpen. "Ik ben", zo zegt Hij, "de goede herder". Wat was Petrus dan? Of was hij geen herder, of was hij een slechte herder? Laten wij eens zien of hij wellicht geen herder is geweest. "Hebt gij Mij lief?" Gij zijt het, die hem dit hebt gezegd, Heer, "Hebt gij Mij lief?" en Petrus heeft geantwoord: "Ja, ik heb U lief". Daarop hebt Gij gezegd: "Weid mijn schapen", Gij Heer, Gij zelf hebt door uw vraag, door de bevestiging van uw mond hem van minnaar tot herder gemaakt. Hij is dus een herder, aan wie Gij uw schapen hebt toevertrouwd, om hen te weiden; Gij zelf hebt het dus verklaard: hij is een herder.