Home
20 september Ik ben de goede herder
Waarom wijst Gij, Heer, de goede herders op die éne herder; is het niet omdat Gij hen in die éne herder de eenheid wilt leren kennen? De Heer zelf maakt het u door mijn bediening nog duidelijker, wanneer Hij u het evangelie onderwijst en als het ware zegt: verneemt wat Ik u heb voorgehouden met de woorden: "Ik ben de goede herder". Ik heb het u al gezegd dat alle overigen, alle andere goede herders, mijn ledematen zijn. Er is één Hoofd, één lichaam, één Christus. Zo is er dan: de herder der herders; zo zijn er: de herders van de herder en de schapen, die, met de herders, onder de éne herder staan. Is dit niet hetzelfde wat ook de apostel ons leert: "Het menselijk lichaam vormt met zijn vele ledematen één geheel; alle ledematen, hoe vele ook, maken samen één lichaam uit. Zo is het ook met de Christus." Derhalve, als het ook zo "met de Christus" is, dan vermeldt Christus, die alle goede herders in zich verenigt, terecht de Ene, als Hij zegt: "Ik ben de goede herder". Ik ben, Ik ben de Ene, alle anderen zijn met Mij één in de eenheid. Hij, die weidt buiten Mij, weidt tegen Mij. "Wie niet met Mij bijeenbrengt, die verstrooit". Luistert ook, hoe Hij elders nog sterker die eenheid aanbeveelt: "Ik heb", zo zegt Hij, "nog andere schapen, die niet uit deze schaapsstal zijn". Hij sprak hier immers over de eerste schaapsstal, behorend tot het volk dat naar het vlees afstamde van Israël. Want er waren anderen die naar het geloof zouden behoren tot het volk van Israël, maar dezen waren nog buiten, zij waren onder de heidenen, zij waren voorbestemd, maar nog niet bijeengebracht. Hij die hen had voorbestemd, kende hen; Hij kende hen, omdat Hij hen was komen verlossen door zijn bloed te storten. Hij zag reeds hen, die Hem nog niet zagen. Hij kende hen, die nog niet in Hem geloofden. "Ik heb", zo zegt Hij, "nog andere schapen, ook die moet ik leiden, opdat het één kudde en één herder zij". Bemint gij intussen deze Kerk, blijft in deze Kerk, weest zelf deze Kerk, weest zelf Kerk. Bemint de goede herder deze echtgenoot stralend van schoonheid, die niemand bedriegen wil, die niemands ondergang wil. Bidt ook voor de verdwaalde schapen, mogen ook zij komen, mogen ook zij de herder erkennen, mogen ook zij Hem beminnen: opdat het zij: één kudde en één schaapsstal.