Ca het jaar 417
Christus is tegelijk mens en God: Hij laat u de mens zien, Hij houdt u God te goed. Zie maar, hoe Hij, die zich als mens aan u heeft laten zien, God nog voor u te goed houdt. "Wie Mij liefheeft", zegt Hij, "onderhoudt mijn geboden; wie Mij liefheeft wordt door mijn Vader bemind en Ik zal hem beminnen". Als men de Heer nu de vraag zou stellen: Wat wilt Gij hem geven die Gij liefhebt? dan antwoordt Hij: "Ik zal Mijzelf aan hem openbaren". Wat wil dit zeggen? Zij zagen Christus toch al en Hij beloofde zich aan hen te openbaren. Aan wie? Aan hen die Hem zagen, of ook aan hen, die Hem niet zagen? Toen eens een apostel Hem vroeg de Vader te zien en zei, dat hij dan tevreden zou zijn: "Heer toon ons de Vader; dat is ons genoeg", toen bewaarde de Heer, die voor de ogen van een slaaf stond in de gestalte van een slaaf, de gestalte van God voor de tijd, dat de apostel verheerlijkt zou zijn en Hij zei tot hem: "Ik ben al zo lang bij u en gij kent Mij nog niet? Wie Mij ziet, ziet de Vader". Gij vraagt de Vader te zien, zie dan naar Mij: Gij ziet Mij en toch ziet gij Mij niet.
Gij ziet, wat Ik ten behoeve van u heb aangenomen, en gij ziet niet, wat Ik voor u te goed heb gehouden. Luister naar mijn geboden, zuiver uw ogen. Want "wie Mij liefheeft, onderhoudt mijn geboden en Ik zal hem liefhebben". Als iemand mijn geboden onderhoudt en door mijn geboden gezond is geworden, "zal Ik Mijzelf aan hem openbaren". Zeg ons nu, Heer, welke geboden? "Een nieuw gebod geef Ik u: gij moet elkaar liefhebben." Laten wij dan deze liefde putten aan de overrijke bron, laten wij voor haar ontvankelijk zijn, ons met haar voeden. Neem daarvan zoveel gij kunt opnemen. De liefde moge u tot leven wekken, de liefde moge u voeden, de liefde moge u vervolmaken, de liefde moge u sterk maken.